woensdag 1 februari 2017

Woorden Taaltoets maandag 6 februari



Woordenlijst week 1
  • Bijstellen: iets aanpassen of veranderen zodat het weer goed is.
  • De aanwezigheid: als iets of iemand ergens is.
  • De absentie: als iets of iemand ergens niet is.
  • De benoeming: een bepaalde functie of baan krijgen.
  • De bijeenkomst: een gebeurtenis waarbij mensen op één plek samenzijn.
  • De buitenkans: een kans die je niet had verwacht.
  • Democratisch: als mensen in een land zelf ergens over mogen beslissen.
  • De plicht: iets wat je hoort te doen volgens jezelf of anderen.
  • De verkiezing: bij een verkiezing worden er één of meerdere personen gekozen. Die personen komen dan bijvoorbeeld in de regering.
  • Discussiëren: een gesprek voeren waarbij iedereen zijn mening vertelt en je op elkaar reageert.
  • Het gezag: iemand met gezag heeft macht over andere mensen.
  • Rechtvaardig: een manier om iedereen gelijk en eerlijk te behandelen.
Woordenlijst week 2
  • Aandurven: iets durven en je niet tegen laten houden door angst.
  • Aanspreken: beginnen met praten tegen iemand anders.
  • Aanwakkeren: iets krachtiger laten worden.
  • Beschaafd: als je goede manieren hebt of beleefd bent.
  • De verlegenheid: je onzeker of een beetje bang voelen bij anderen.
  • Hakkelen: iemand die hakkelt is vaak even stil en praat daarna weer verder.
  • In verlegenheid brengen: als je mensen onzeker maakt in de buurt van anderen en ervoor zorgt dat ze zich een beetje gaan schamen.
  • Je niet uit het veld laten slaan: niet van streek raken.
  • Terecht: iets wat juist is.
  • Wantrouwig: als je andere mensen niet vertrouwt.
  • Willekeurig: als iets zomaar gekozen is zonder er over na te denken.
  • Zich wenden tot: iets tegen iemand zeggen of iets vragen.
Woordenlijst week 3
  • De minstreel: iemand die in de Middeleeuwen op bezoek ging bij kastelen om liedjes te zingen.
  • De mustang: een wild paard.
  • De nar: een soort clown die vroeger ridders en koningen aan het lachen maakte.
  • De page: een knecht van een ridder of een koning.
  • De prairie: een grote vlakte met gras.
  • De veldheer: de baas van het leger.
  • De veldslag: een groot gevecht tussen verschillende legers.
  • De vesting: een plaats met muren eromheen. De muren waren er vroeger om een dorp of een stad te beschermen.
  • Door het oog van de naald kruipen: net op tijd ergens aan ontsnappen.
  • Iemand te vlug af zijn: iets net eerder doen dan iemand anders.
  • Strijden: een ander woord voor vechten.
  • Veroveren: iets na een gevecht in bezit krijgen.

Geen opmerkingen: