woensdag 14 december 2016

Woordenschat thema 3 !

Hieronder de woordjes voor de taaltoets van thema 3.
Taaltoets is op maandag 19 december. Oefenen maar!


Week 1
Amuseren: je vermaken of plezier hebben.
De carnavalskraker: een lied speciaal geschreven voor het carnaval.
De gezelligheid: als het ergens fijn en prettig is om te zijn. De mensen zijn er aardig of de plek ziet er leuk uit.
Dempen: zorgen dat je iets minder goed hoort.
Dempen: zorgen dat je iets minder goed hoort..
De traditie: iets wat door veel mensen altijd al hetzelfde wordt gedaan, bijvoorbeeld het is een traditie om taart te eten op je verjaardag.
Het carnaval: een feest waarbij mensen drie dagen lang zich verkleden.
Het gejuich: het geroep van mensen die blij zijn.
Het gejuich: het geroep van mensen die blij zijn..
Het geroezemoes: een zacht geluid van mensen die door elkaar praten.
Het volksfeest: een feest voor het hele volk, bijvoorbeeld Koningsdag.
Uit de kluiten gewassen: stevig en groot gebouwd.
Uit je bol gaan: iets enthousiast vieren.

Week 2
Behandelen: proberen iets beter te maken.
De bevalling: een kindje krijgen.
De couveuse: een speciale bak waar een te vroeg geboren baby in wordt verzorgd.
De kraamvrouw: een vrouw die net een kindje heeft gekregen.
De verloskundige of vroedvrouw: een vrouw die als beroep vrouwen helpt bij de zwangerschap en de bevalling.
Gebruikelijk: zoals het normaal is.
Het geslacht: als je een jongen bent, ben je van het mannelijk geslacht. Als je een meisje bent, ben je van het vrouwelijk geslacht.
Het nageslacht: iemands kinderen en daar de kinderen weer van, enzovoorts.
Ingrijpen: Iets doen, omdat het anders misschien verkeerd gaat.

Week 3
Aanprijzen: zeggen dat iemand of iets goed is.
De etenswaren: een ander woord voor eten.
De gang: een deel van een maaltijd, bijvoorbeeld het toetje is de derde gang van de maaltijd.
De grill: een apparaat om vlees op te roosteren.
De wok: een grote pan waar je vlees en groente in kunt bakken.
Grillen: roosteren op een gril.
Het alternatief: iets anders wat je zou kunnen kiezen.
Likkebaarden: je lippen aflikken omdat iets lekker is of lijkt.
Roerbakken: eten kort bakken en steeds in de pan roeren.
Serveren: eten of drinken op tafel neerzetten.
Voedzaam: eten wat goed vult, je hoeft er niet veel van te eten om vol te zitten.
Wokken: eten klaarmaken in een wok.

Geen opmerkingen: