maandag 26 september 2016

Woordenschat toets taal blok 1 !

Woordenlijst thema 1
  • De bevolkingsdichtheid: hoeveel inwoners er op een vierkante kilometer wonen.
  • De bijdrage: wat je hebt gedaan of hoeveel geld je ergens aan hebt gegeven. Bijvoorbeeld "Ik geef een financiële bijdrage aan het goede doel".
  • De bijdrage: wat je hebt gedaan of hoeveel geld je ergens aan hebt gegeven. Bijvoorbeeld: "Ik geef een financiële bijdrage aan het goede doel".
  • De opbrengst: wat iets je oplevert of hoeveel geld je hebt gekregen voor iets. Bijvoorbeeld de opbrengst van de rommelmarkt was groot.
  • De sponsorloop: zoveel mogelijk rondjes hardlopen om geld op te halen voor een goed doel.
  • Dichtbevolkt: waar veel mensen wonen.
  • Dunbevolkt: waar weinig mensen wonen.
  • Het belang inzien van: als je snapt dat iets belangrijk is.
  • Het derdewereldland: een land in het deel van de aarde waar veel landen arm zijn.
  • Het detail: een klein onderdeel van iets groters.
  • Het ontwikkelingswerk: het werk dat iemand doet in een arm land of in een land waar oorlog is geweest om de mensen daar te helpen.
  • Het succes: als iets lukt.
  • Zich in iets verdiepen: ergens meer van willen weten en er informatie over opzoeken.
  • De bedreiging: als iets of iemand je bang maakt.
  • De epidemie: een periode waarin veel mensen een besmettelijke ziekte krijgen.
  • De hongersnood: als er in een land te weinig eten is voor alle mensen.
  • De huisvesting: een plek waar je kan wonen.
  • De hulpverlening: mensen die iemand met een probleem helpen.
  • De kinderrechten: alle dingen waar kinderen recht op hebben, bijvoorbeeld regels over school, wonen en ouders.
  • Minachten: mensen niet waardevol vinden en dat laten merken.
  • Ondervoed: een lange tijd te weinig hebben gegeten.
  • Op eigen houtje: iets zelf doen zonder dat je het gevraagd hebt aan iemand anders.
  • Respecteren: mensen waardevol vinden en dat laten merken.
  • Zich als een olievlek verspreiden: als iets heel snel bekend wordt.
  • Zo goed en zo kwaad: je gaat door met wat je doet, ook al gaat dat niet heel goed.
  • Behulpzaam: als je het prettig vindt om iemand anders te helpen, dan ben je behulpzaam.
  • Beledigen: nare dingen tegen iemand zeggen of doen, waardoor die persoon boos wordt.
  • Bezwaar hebben tegen: het ergens niet mee eens zijn.
  • Complimenteren: zeggen wat iemand goed heeft gedaan, een compliment geven.
  • Druk uitoefenen: proberen iemand iets te laten doen, terwijl hij dat misschien niet wil of kan.
  • Flexibel: iemand die zich makkelijk aanpast aan iets.
  • Heftig: een ander woord voor fel of zwaar.
  • Luidruchtig: als je veel lawaai maakt.
  • Overhalen: proberen iemand iets te laten doen of niet te laten doen.
  • Protesteren: zeggen dat je iets niet wilt of het ergens niet eens mee bent.
  • Zich uiten: aan iemand laten merken wat je voelt en denkt.

2 opmerkingen:

Unknown zei

Er staat twee keer het zelfde woord. 😉

Sander zei

Ja, bijdrage. Foutje, sorry!!!